In de kliniek werd ik stilgezet.
Letterlijk en figuurlijk.
Ik zette stappen,
werd gezien maar niet echt.
Ik liet vooral zien
wat veilig was om te laten zien.
Ik at.
Maar alleen wat controle gaf.
Ik functioneerde.
Terwijl ik vanbinnen schreeuwde om hulp.
Ik wilde de voorbeeldige cliënt zijn,
en dat lukte me.
Misschien te goed.
Niemand die zag
hoe hard ik mijn best deed
om niet te laten merken
hoe slecht het eigenlijk ging.
En ik durfde het niet te zeggen.
Ik durfde niet te laten zien
hoe diep ik al zat.
Is er dan niemand die mij écht ziet?
Ik ging weg met vertrouwen, dankbaarheid,
en het idee dat ik op weg was naar herstel.
Terwijl het eigenlijk nog helemaal niet ging.
Thuis kwam de stilte.
De regie lag weer bij mij.
De strijd in mijn hoofd werd luider.
De mensen die dichtbij voelden,
de socios, de zorg, de verbinding
vielen ineens weg.
En ik wist niet meer
hoe ik die verbinding zelf moest maken.
Ik bleef vechten,
terwijl ik langzaam verdronk.
Nazorg viel weg.
Hulp viel weg.
En ineens moest ik het alleen doen,
omdat het met mij “wel oké” ging.
Toen ik eindelijk durfde te vragen,
was er niets meer beschikbaar.
~ Sanne