Daar lag ik dan. Ziek in bed met buikgriep.
Ik hield niets binnen, zelfs geen slokje water.
En plots kwamen de eetverstoorde gedachten terug:
“Nu zal je wel vermagerd zijn.”
“Hopelijk kan je morgen ook niet veel eten.”
Ik schrok. Net op zo’n moment heeft mijn lichaam extra zorg nodig. Rust. Brandstof. Herstel.
Dus probeerde ik die gedachten bewust om te draaien. Kleine beetjes drinken. Toch iets eten. Luisteren naar wat mijn lichaam nodig had, niet naar de eetstoornisstem.
De dag erna voelde ik me iets beter, maar opnieuw begon de strijd.
“Je mag niet al je maaltijden eten.”
“Je bent nu net vermagerd.”
’s Avonds kwam een enorme eetdrang op. Dat voelde confronterend en ik schaamde me.
Terwijl mijn lichaam probeerde te herstellen, vocht ik in mijn hoofd tegen mijn eetstoornis.
Maar ik besefte ook: dit is deel van herstel. Het gaat op en af.
Dus na op te schrijven wat ik voelde en zo te begrijpen wat er gaande was, probeerde ik bewust tegen die stem in te gaan. Ik at een lichte maaltijd, dronk water en leidde mezelf af met een sudoku. Kleine keuzes, maar grote overwinningen.
Ik voelde me eenzaam, alleen.
Alsof niemand zag hoe beladen iets “simpels” als buikgriep plots kan worden wanneer je leeft met een eetstoornis.