Misschien zit je met vragen over eten.
Of over je lichaam.
Misschien maak je je zorgen over jezelf of over iemand die je kent.

Er is iets aan de hand met eten dat me bezighoudt
Je denkt veel na over eten. Je vermijdt dingen. Je hebt afspraken met jezelf over wat of hoeveel je mag eten.
Of eten zorgt vaak voor stress, schuldgevoel of ruzie in je hoofd.

Ik voel me niet goed in mijn lichaam
Je bent veel bezig met hoe je eruitziet, vergelijkt jezelf vaak met anderen of voelt je onzeker over je lichaam.

Ik maak me zorgen om iemand anders
Je merkt dat een vriend, vriendin, broer, zus of iemand anders op een andere manier omgaat met eten of erg streng is voor zichzelf.

Wanneer is het goed om met iemand te praten?

Misschien merk je dat…

  • eten steeds meer ruimte inneemt in je hoofd;
  • je bang wordt van bepaalde voeding;
  • je vaak schuldgevoel hebt nadat je gegeten hebt;
  • je veel bezig bent met bewegen, gewicht of je lichaam;
  • je steeds meer regels maakt voor jezelf;
  • je dingen niet meer doet omdat eten erbij hoort;
  • je je alleen voelt met wat er in je hoofd gebeurt;
  • iemand anders zich zorgen om je maakt.

Je hoeft niet eerst “ziek genoeg” te zijn om met iemand te praten.

Met wie kan ik praten?

Je hoeft dit niet alleen uit te zoeken.
Denk eens aan één persoon bij wie jij je redelijk veilig voelt.

  • Thuis
    Een ouder, plusouder, broer, zus of ander familielid.
  • Op school
    Een leerkracht, leerlingenbegeleider of iemand van het CLB.
  • Iemand die je kent
    Een trainer, jeugdleider, coach of andere volwassene die je vertrouwt.
  • Een hulpverlener
    Je huisarts, psycholoog of iemand anders bij wie je al terechtkunt.
    Als jongere kan je ook terecht bij TEJO of bij Overkop.

Je hoeft niet precies te weten wat er aan de hand is. En je hoeft het ook niet meteen perfect te kunnen uitleggen. Je kunt bijvoorbeeld beginnen met…

  • “Ik weet niet goed hoe ik dit moet uitleggen, maar het gaat de laatste tijd niet zo goed met mij.”
  • “Ik merk dat eten en mijn lichaam heel veel ruimte innemen in mijn hoofd.”
  • “Ik maak me zorgen over hoe ik de laatste tijd met eten omga.”
  • “Ik heb steeds meer regels rond eten en ik krijg ze moeilijk losgelaten.”
  • “Ik voel me vaak schuldig of bang als ik gegeten heb.”
  • “Ik weet niet of er echt iets aan de hand is, maar ik zou er graag eens met iemand over praten.”
  • “Misschien lijkt het aan de buitenkant alsof alles goed gaat, maar in mijn hoofd is dat niet zo.”
  • “Ik vind het heel moeilijk om dit te vertellen. Wil je gewoon even luisteren zonder meteen oplossingen te zoeken?”
  • “Ik durf het niet goed hardop te zeggen. Daarom stuur/schrijf ik het liever eerst.”
  • “Ik denk dat ik hulp nodig heb, maar ik weet niet goed waar ik moet beginnen.”